Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Help wandkunst opsporen.

Glas-in-lood

Achtergrond en geschiedenis

De Romeinen pasten deze techniek als eersten toe. Vanaf de vroegchristelijke tijd vonden de eerste experimenten plaats met brandschildering; het inbranden van een voorstelling op het glas. Tot aan de uitvinding van het vlakglas was dit de belangrijkste venstervorm. Glas-in-lood en gebrandschilderd glas werden dan ook toegepast in kerken als in niet-religieuze gebouwen en in woningen. In kerken werden ook na de reformatie nog gebrandschilderde ramen gemaakt, zowel figuratief als non-figuratief. In de twintigste eeuw bleef de techniek populair voor ‘bovenlichten’. De kunstenaars van de stijl ontwierpen veel non-figuratieve glas-in-loodramen. Tijdens de wederopbouwperiode volgde een volgende opleving van de techniek en werden grote aantallen figuratieve en non-figuratieve monumentale ramen gemaakt, zowel in kerken als in niet-religieuze gebouwen (vaak in trappenhuizen).

Techniek en materialen


Stukjes blank of gekleurd glas worden met loodstrips gevat tot panelen, die in de sponning van een venster worden geplaatst. Het carton, een ontwerptekening op ware grootte, is daarbij een belangrijk hulpmiddel. Op het glas kan ook geschilderd worden. Deze schildering wordt aangebracht met een ‘verf’ bestaande uit gemalen glas met een metaaloxyde. Deze wordt in de oven verhit en versmolten met de glazen ondergrond. We spreken dan van gebrandschilderd glas, dat meestal gecombineerd wordt met de glas-in-lood techniek.

Mozaïek

Achtergrond en geschiedenis

Een techniek die sinds de oudheid gebruikt wordt. Aanvankelijk vooral voor de decoratie van vloeren. Stukjes natuursteen in verschillende kleuren, soms ook wel gekleurd glas, worden ingelegd in specie.
Vanaf de vroegchristelijke tijd werd de mozaïektechniek steeds vaker gebruikt voor decoratie van gewelven en muren. Byzantijnse kerken staan bekend om hun rijke mozaïeken met veel goud. In onze streken werd de mozaïektechniek minder vaak toegepast in gewelven, maar wel in vloeren. In de negentiende eeuw betekenden de neostijlen (neo-byzantijns, neo-romaans, neo-gotiek) een opleving voor de mozaïektechniek, vooral in het katholieke deel van het land.
Na de tweede wereldoorlog vervaagt de associatie met kerkelijke kunst en wordt de techniek vaker in niet-religieuze gebouwen toegepast. De mozaïektechniek is geschikt voor toepassingen zowel in het interieur als aan het exterieur.

Techniek en materialen

De techniek kent twee basismethoden:

  • direct: de steentjes worden direct, vanuit de hand, in specie gezet
  • indirect: de steentjes worden eerst (ondersteboven en in spiegelbeeld) op een vel papier met daarop de schets geplakt en vervolgens overgebracht op de ondergrond, waarna eveneens gevoegd wordt.

Vaak wordt bij de tweede variant de voorstelling aangebracht op een aantal panelen, die op de uiteindelijke locatie worden samengevoegd. In de wederopbouwperiode wordt voornamelijk deze tweede, indirecte methode toegepast.

Reliëf

Achtergrond en geschiedenis

Reliëf is in feite beeldhouwwerk waarbij de vormen slechts gedeeltelijk van de ondergrond zijn losgemaakt. Deze kunstvorm behoort met de wandschilderkunst tot de oudste kunstvormen en wordt al toegepast vanaf de prehistorie.

Techniek en materialen

Wanneer de vorm of voorstelling dieper ligt dan het vlak spreken we van verzonken verzonken reliëf (ook wel diep-reliëf, hol-reliëf of en-creux), wanneer deze licht boven het vlak uitkomt (zoals bij een muntstuk) noemen we het laag-reliëf (bas-reliëf), en wanneer de vorm bijna volledig van het vlak los komt heet het hoog-reliëf (haut-reliëf of ronde-bosse). Voor het maken van een reliëf kan de kunstenaar gebruik maken van verschillende materialen: natuursteen, kunststeen (beton, baksteen), metaal, keramiek zijn de meest gebruikte materialen in de monumentale wandkunst.

Natuursteenreliëf

Achtergrond en geschiedenis

Ook deze techniek werd voor het eerst toegepast in prehistorische grotten. In de oudheid kwam de techniek tot bloei en sierde tempels, paleizen en graftombes. In de middeleeuwen wordt de techniek op de eerste plaats voor de decoratie van kerkgebouwen gebruikt, maar reliëfs zijn ook te vinden in publieke gebouwen, kastelen en rijkere burgerwoningen uit deze periode.

Na de reformatie vervalt de kerk als belangrijkste opdrachtgever (grafmonumenten vormen de voornaamste uitzondering), maar de techniek blijft toegepast worden voor decoratie van niet-religieuze gebouwen. Daarbij worden naast kalksteen en zandsteen ook kostbare steensoorten zoals marmer gebruikt.

Na de Tweede wereldoorlog volgt de laatste bloeiperiode van deze techniek, waarbij opnieuw veel van exotische steensoorten zoals marmer en travertin gebruikt worden. Toepassingen veelal als accentuering van de belangrijkste façade (als fries) of van een ingangspartij.

Techniek en materialen

Bij deze techniek wordt met hamer en beitel een vorm (gedeeltelijk) uitgehakt in een plat of een blok natuursteen. Daarbij blijft de uitgehakte vorm in meer of mindere mate verbonden met de plaat of het blok. De techniek wordt zowel voor het exterieur als het interieur gebruikt. In de wederopbouwperiode wordt een groot scala aan natuursteensoorten gebruikt: diverse soorten kalksteen, travertin en marmer worden gebruikt, maar ook andere steensoorten komen voor. Zandsteen wordt vanaf 1951 in principe niet meer gebruikt, vanwege gevaren voor de gezondheid van de beeldhouwer (‘zandsteenbesluit’ van 1951).

Sgraffito

Achtergrond en geschiedenis

De term sgraffito (of ook wel graffito, meervoud graffiti) komt van het Italiaanse werkwoord sgraffiare, wat 'krabben' betekent. De sgraffito-techniek is al eeuwenlang toegepast in Italië, Zwitserland en Oostenrijk, voornamelijk voor decoratie van het exterieur van gebouwen. Daarbij werden doorgaans slechts grijstinten en zwart gebruikt en is de voorstelling puur decoratief.

Techniek en materialen

In Nederland wordt de techniek eigenlijk pas vanaf de wederopbouwperiode toegepast en wordt dan veelal gebruikt voor zelfstandige kunstwerken, aanvankelijk zowel aan het exterieur als het interieur van gebouwen. De techniek blijkt echter niet goed bestand tegen het regenachtige Nederlandse klimaat, zodat latere toepassingen vooral aan de binnenzijde van gebouwen te vinden zijn. Door kunstenaars als Lex Horn en Nico Wijnberg worden de mogelijkheden van de techniek uitgebuit, waarbij meerdere lagen (vaak 3 of 4) en ook meer kleuren worden gebruikt.

De sgraffitotechniek, kent het volgende principe. Op een muur of andere starre ondergrond worden twee of meer gekleurde pleisterlagen (doorgaans een kalkmortel) aangebracht. Vervolgens worden in de nog zachte pleisterlagen lijnen en vlakken weggekrabt of weggestoken, zodat een vorm of voorstelling ontstaat. Door dieper of minder diep in die verschillende kleurlagen te ‘krabben’ ontstaan lijnen en vlakken in verschillende kleuren. Er moet bij deze techniek snel gewerkt worden, omdat de kalkmortel na ongeveer 24 uur te hard is om nog te kunnen bewerken.

Tegeltableau

Achtergrond en geschiedenis

Een tegeltableau is een schildering (‘tableau’ is Frans voor schilderij) in glazuur op (meerdere) tegels. De oudste toepassingen zijn te vinden in islamitische landen. Vanaf de late middeleeuwen wordt de techniek in Europa toegepast, zowel in vloeren als in (delen van) wanden. De Nederlandse Delftsblauwe tegels zijn wereldberoemd. Toegepast aan het exterieur (maar gevoelig voor vorstschade) en in het interieur.

Techniek en materialen

De schildering wordt aangebracht op keramische tegels (meestal aardewerk). Bij tegeltableau’s wordt meestal gebruik gemaakt van vierkante tegels. De glazuurschildering, waarmee de schildering wordt aangebracht, kan uit één of meerdere kleuren bestaan. Glazuur is een glasachtig materiaal in poedervorm, maar wordt meestal aangebracht in vloeibare vorm gebruikt voor de beschildering. Door bepaalde mineralen en metaaloxides toe te voegen, kan de kleur van het glazuur worden bepaald. Na het beschilderen worden de tegels gebakken. Vervolgens worden deze in specie op de juiste wijze samengevoegd tot een tableau. Veel tegeltableau’s uit de wederopbouwperiode werden (naar ontwerp van de kunstenaar) uitgevoerd door de Porceleyne Fles in Delft.

Wandschildering

Achtergrond en geschiedenis

De wandschildering is een van de oudste vormen van beeldende kunst: al in de prehistorie maakten de mensen wandschilderingen in grotten. In de oudheid ( ..- ..) werden tempels, paleizen, graven en woningen voorzien van wandschilderingen. In de middeleeuwen waren vooral de kerken rijkelijk getooid in wandschilderingen, maar ook kastelen, raadhuizen en rijkere burgerwoningen bevatten deze vorm van kunst. In principe waren er twee methodes: fresco (in de natte kalk geschilderd) en secco (op een droge kalklaag geschilderd). In onze omgeving werd de frescomethode nauwelijks toegepast en gaat het meestal om seccoschilderingen.

Na de reformatieperiode verdwenen de wandschilderingen uit de kerken maar niet uit openbare gebouwen, landhuizen en rijke burgerwoningen. Vaak werd olieverf gebruikt. Pas in de 20e eeuw verdwenen onder invloed van het modernisme veel werken achter de witkalk.

In de Amsterdamse schoolperiode (circa 1915-1940) stond het ‘gesammtkunstwerk’(of totaalkunstwerk) centraal en ook wandschilderingen konden daarvan deel uitmaken. De Amsterdamse school vormt in zekere zin een schakel tussen de traditionele monumentale kunst en de monumentale wandkunst van de wederopbouwperiode (..-..) . Wandschilderingen worden in ons land (vanwege het klimaat) vrijwel uitsluitend in het interieur toegepast.

Techniek en materialen

Tijdens de wederopbouwperiode werden behalve de traditionele olieverf en caseïne-tempera ook nieuwe verfsoorten zoals Keimverf (een minerale verf) gebruikt. Wandschilderingen werden meestal op een geprepareerde ondergrond (een pleisterlaag) aangebracht maar soms ook direct op het beton of baksteen van de muur.

Wandtapijt

Achtergrond en geschiedenis

Het wandtapijt als kunstvorm dateert uit de middeleeuwen, toen de tapijten als ‘mobiele fresco’s’ populair waren bij de rondtrekkende vorstenhoven. Behalve een decoratieve functie dienden de wandtapijten ook om de kou te weren. Ook na de middeleeuwen bleven wandtapijten populair.

Tijdens de wederopbouwperiode ontstond de laatste bloeiperiode. Door een groot aantal kunstenaars werden ontwerpen voor wand- en vloertapijten gemaakt.

De ontwerpen van de kunstenaars werden veelal uitgevoerd door weefateliers als Het Paapje en De Uil.

Het wandtapijt is als monumentale kunstvorm nogal een buitenbeentje omdat zij, in tegenstelling tot de andere vormen, niet nagelvast gebonden is aan de architectuur.

Techniek en materialen

De traditionele materialen voor het wandtapijt zijn wol en zijde, daarnaast komen ook andere materialen voor. Een wandtapijt kan volgens verschillende tehnieken tot stand komen: weven, knopen, tuften, borduren, applicatie. De weeftechniek dateert uit de prehistorie, maar ook de andere technieken hebben een lange traditie.

Baksteenmozaïek

Achtergrond en geschiedenis

Baksteenmozaïek is een bijzondere mozaïekvorm, die vanaf het einde van de negentiende eeuw wordt toegepast. De techniek kan zowel in binnen- als in buitenmuren worden toegepast.

Techniek en materialen

Er wordt gebruik gemaakt van grotere of kleinere stukken baksteen in verschillende tinten. In de gevel wordt door de metselaar in het metselwerk een opening (in halve steensdiepte) uitgespaard, die met baksteenmozaïek wordt opgevuld. Het beperkte kleurenpalet van naturelbaksteensoorten kan worden uitgebreid door geglazuurde bakstenen te gebruiken.

Baksteenreliëf

Achtergrond en geschiedenis

Deze techniek maakt gebruik van hét Nederlandse bouwmateriaal bij uitstek: de baksteen. Deze techniek wordt heeft zijn wortels in de baksteengotiek. De techniek wordt zowel op binnen- als buitenmuren toegepast.

Techniek en materialen

In een door de metselaar in de bakstenen muur uitgespaarde opening wordt door middel van bakstenen een reliëf ingevoegd.

Er zijn twee basisvarianten:

  • er wordt gebruik gemaakt van voorgevormde bakstenen
  • er wordt gebruik gemaakt van standaardbakstenen die door het combineren van verschillende metselverbanden, tot een reliëf worden gevoegd

Bij het vervaardigen van voorgevormde bakstenen moet rekening gehouden worden met het krimpen tijdens het bakproces. In een enkel geval worden de stenen in de gewenste vorm gekapt.

Glaskunst

Glas werd uitgevonden in de oudheid in het middenoosten. Het werd aanvankelijk vooral gebruikt voor gebruiks- en siervoorwerpen. Sinds de Romeinse tijd werd het ook gebruikt als afdichting van ramen. De oudste monumentale glaskunstwerken dateren uit de vroeg-christelijke periode. Het gaat daarbij om glas-in-lood. In de loop van de tijd werden nieuwe technieken ontwikkeld, waardoor de mogelijkheden vergroot werden.

Glas bestaat uit silicium (zand), calciumkarbonaat (soda) en kalk, versmolten bij ca. 1160o C. Kleuren ontstaan door toevoeging van metaaloxiden. Monumentale glastechnieken zijn: glas-in-lood, glas-in-beton, glas-in-metaal, glas appliqué, geëtst glas en gestraald glas

Geëtst glas/gestraald glas

Het gaat hier om twee verschillende technieken, die een min of meer vergelijkbaar effect hebben. Er wordt uitgegaan van blank vensterglas, waarin een vorm of voorstelling ontstaat door bepaalde delen mat te maken, ofwel door gebruik van zuren (etsen) ofwel door gebruik van stralen (zand- of gritstralen). De delen die blank (en transparant) moeten blijven worden afgeplakt, zodat deze niet blootstaan aan het etsen of stralen. Met deze techniek ontstaat een monochroom kunstwerk.

Glas appliqué

Dit is een vrij nieuwe techniek die in Nederland ontwikkeld is. Stukken gekleurd glas worden op een ondergrond van blank vensterglas gelijmd. Omdat het glas hierbij niet gebonden wordt door een loodnet of door beton, heeft de kunstenaar bij deze techniek alle vrijheid. Door de verschillende kleuren glas al dan niet te laten overlappen ontstaat een spel van kleur en licht. Sommige kunstenaars laten het blanke vensterglas deels zichtbaar, anderen bedekken dit geheel met lagen gekleurd glas. Sommige kunstenaars gebruiken dikkere stukken gekleurd glas, waardoor een transparant reliëf van glas ontstaat. Veel glas appliqué-kunstwerken werden uitgevoerd door de firma Tetterode.

Glas in beton

Dit is een techniek die in Frankrijk werd ontwikkeld in de jaren ’20 van de vorige eeuw. Het principe lijkt op glas in lood, maar er wordt gebruik gemaakt van dikkere, grotere stukken gekleurd glas (scherven van dalles de verre, dikke glastegels, soms ook onregelmatig van dikte). Deze worden in cement/beton gegoten. Door de grotere dikte is glas in beton sterker en in principe ook duurzamer dan glas in lood.

De techniek werd na de Tweede wereldoorlog veel toegepast door Le Corbusier. Daan Wildschut introduceerde de techniek in ons land.

Met deze techniek kunnen hele glaswanden gevormd worden. Zowel figuratieve als non-figuratieve ramen komen voor.

Glas in metaal

Stukken gekleurd glas worden in een metalen vorm gevat (vaak staal).

Keramisch reliëf

Keramische reliëfs bestaan al sinds de oudheid. In de periode van de wederopbouw wordt deze techniek veel toegepast en ontstaat een grote variëteit aan verschijningsvormen. Keramische reliëfs kunnen zowel in het interieur als aan het exterieur gebruikt worden, hoewel aardewerk vorstgevoelig is.

Een keramisch reliëf wordt gemaakt uit klei, die vervolgens gebakken wordt en eventueel geglazuurd. Tijdens het bakken krimpt het object, iets waarmee van tevoren rekening gehouden moet worden. Grotere reliëfs bestaan meestal uit delen, die op de uiteindelijke locatie samengevoegd worden. Keramische reliëfs worden veelal in het metselwerk (bakstenen muur) gevoegd, maar worden ook wel met behulp van haken aan de muur bevestigd.

Kiezelmozaiek

Mozaïek van kiezels in verschillende kleuren, dicht tegen elkaar ingebed in specie.

Schervenmozaïek

Mozaïek ontstaan door het inleggen van gekleurde tegelscherven in een specie.

Metaalreliëf

Reliëf in metaal (in verschillende technieken: gegoten, gedreven, gesmeed of gelast)

Intarsia

Inlegwerk in verschillende kleuren (vaak ook verschillende materialen) al dan niet in een ander materiaal (bijvoorbeeld natuursteenintarsia, linoleumintarsia).

Natuursteenintarsia

Ofwel inlegwerk van stukjes gekleurd natuursteen of glas in een natuurstenen plaat, ofwel het aaneenvoegen van grotere stukken gekleurd natuursteen (waaronder marmer).

Linoleumintarsia

Inlegwerk, of aaneenvoegen van stukken linoleum in verschillende kleuren (meestal in een vloer, maar soms ook op panelen tegen de wand).

Vloertapijt

Tapijt dat bestemd is om op de vloer te leggen, veelal in knooptechniek. Zie verder bij wandtapijt.